ECLI:NL:CRVB:2017:4189

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2017
Publicatiedatum
6 december 2017
Zaaknummer
16/4200 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na medisch geschil over functionele mogelijkheden

Appellant, voormalig flensmonteur, meldde zich ziek vanwege rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant voor 37% arbeidsongeschikt was, later herzien naar 41,28% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische onderbouwing van het UWV voldoende was en er geen aanwijzingen waren voor geen benutbare mogelijkheden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij geheel niet kan werken, onderbouwd met medische verklaringen van een psychiater, anesthesioloog en neuroloog. De Raad beoordeelde deze stukken en concludeerde dat zij geen twijfel wekken over de juistheid van de verzekeringsarts en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 5 augustus 2015 adequaat zijn.

De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant recht heeft op een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 41,28%.

Uitspraak

16.4200 WIA

Datum uitspraak: 6 december 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2016, 15/7395 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.A. Fijma, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Namens appellant is verschenen mr. Fijma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was laatstelijk werkzaam als flensmonteur voor 40 uur per week. Op 19 juni 2013 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met rugklachten. Op 9 maart 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA) aangevraagd. Hij is op 31 maart 2015 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 maart 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 37,42%. Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 17 juni 2015 recht heeft op een WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37%.
1.2.
Het tegen het besluit van 7 mei 2015 ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
14 oktober 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Daaraan lag het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 augustus 2015 ten grondslag. In de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast en aan de beoordeling ten grondslag gelegd een FML van 5 augustus 2015.Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met inachtneming van de aangepaste FML nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 41,28%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de medische onderbouwing ontbreekt om te concluderen dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met alle genoemde klachten van appellant en de medicatie die appellant gebruikt. Hiervoor zijn beperkingen in de FML van 5 augustus 2015 opgenomen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij in het geheel niet in staat is te werken. Appellant heef ter onderbouwing van zijn standpunt opnieuw gewezen op een brief van psychiater dr. N.W. Pesman van 5 december 2014 aan de toenmalige re-integratiebegeleider van appellant, waarin wordt verzocht het re-integratietraject bij te stellen omdat appellant niet in staat was om te solliciteren, laat staan te werken. Deze verklaring wordt volgens appellant volledig gesteund door de in beroep ingebrachte verklaring van 23 november 2015 van anesthesioloog/pijnspecialist I. Gültuna, dat het op dat moment voor appellant niet verstandig zou zijn om zijn werkzaamheden te hervatten. Voorts heeft appellant medische informatie van zijn behandelend neuroloog dr. R. Saxena van 20 augustus 2015 ingezonden.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 september 2016, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant tegen de medische grondslag van het bestreden besluit afdoende besproken. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken, waaronder de informatie van dr. Pesman en Gültuna, geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de nadere stukken die door appellant in beroep in geding zijn gebracht geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de beperkingen per 17 juni 2015 zijn onderschat.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Uit de brief van neuroloog dr. Saxena blijkt dat sprake is van een pseudoradiculair syndroom. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van
6 september de medische informatie van dr. Saxena besproken en gemotiveerd dat in de FML van 5 augustus 2015 reeds een aantal beperkingen zijn vermeld inzake rugbelastende aspecten, en dat de informatie daar niets aan toevoegt. Met deze gemotiveerde reactie wordt ingestemd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het oordeel van de rechtbank niet juist is. De overwegingen en conclusies van de aangevallen uitspraak worden geheel onderschreven.
4.4.
Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen is met juistheid de FML van 5 augustus 2015 als basis genomen voor beoordeling van de passendheid van de geselecteerde functies. Daarvan uitgaande kan de rechtbank eveneens worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat die functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.5.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) L.H.J. van Haarlem

IJ