ECLI:NL:CRVB:2017:4197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, werkzaam als schoonmaakster met een beperkte arbeidsduur, meldde zich ziek wegens rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig advies vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet volledig was, omdat geen informatie was ingewonnen bij haar behandelaars en dat de voorgestelde functies haar belastbaarheid overschreden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Het rapport van de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige van appellante gaf geen nieuwe medische gegevens die het eerdere oordeel konden weerleggen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had aanvullend informatie ingewonnen bij de behandelend orthopedisch chirurg en gemotiveerd gereageerd op de ingediende rapporten.
De Raad vond dat de functies productiemedewerker industrie en samensteller elektrotechnische apparatuur voldoende van elkaar verschilden en passend waren voor appellante. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.