Uitspraak
28 april 2017, 16/3223 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij een overheidsdienst, werd in het kader van een reorganisatie geplaatst op een nieuwe standplaats met een lagere salarisschaal, waarbij hij zijn oude salarisschaal behield. Hij verzocht om een leaseauto vanwege de substantiële toename van reisduur en reiskosten. De minister wees dit verzoek af en bood slechts een tegemoetkoming in reisduur en reiskosten aan, zonder leaseauto.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de minister het verzoek niet redelijk kon afwijzen. De Raad stelde vast dat appellant zijn instemming met de plaatsing onder het voorbehoud van een leaseauto had gegeven en dat de locatie zeer beperkt bereikbaar is met openbaar vervoer.
De Raad concludeerde dat de minister onjuiste maatstaven hanteerde door het criterium 'zwaarwegend dienstbelang' te gebruiken in plaats van de hardheidsclausule uit artikel 49aaa ARAR. Gezien de bijzondere omstandigheden leidde de afwijzing tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij beroep tegen die beslissing alleen bij de Raad mogelijk is.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van een leaseauto wordt vernietigd wegens onbillijkheid van overwegende aard en de minister wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.