ECLI:NL:CRVB:2017:4245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
8 december 2017
Zaaknummer
16-8038 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening griffierecht afgewezen

Verzoeker diende een verzoek om herziening in bij de Centrale Raad van Beroep, maar dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Verzoeker stelde in verzet dat sprake was van betalingsonmacht en verwees naar eerdere vrijstellingen van griffierecht door verschillende rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad.

De Raad overwoog dat verzoeker het beroep op betalingsonmacht pas in het verzet heeft gedaan, dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht voldaan moest worden. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die het verzuim zouden kunnen opheffen.

Daarnaast benadrukte de Raad dat eerdere vrijstellingen van griffierecht op grond van dezelfde informatie niet automatisch vrijstelling voor een nieuw griffierecht betekenen. Voor elke heffing moet opnieuw vrijstelling worden gevraagd met recente informatie.

Op grond hiervan verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond en wees zij het verzoek af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het beroep op betalingsonmacht te laat is gedaan.

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 december 2017
16/8038 WWB-V, 16/8040 WWB-V, 16/8041 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 september 2016, 15/8082, 16/5126, 16/5120
Partijen:
mr. drs. [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het Drechtstedenbestuur

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met
artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 juli 2017 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2016, 15/8082, 16/5126, 16/5120 niet ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 18 juli 2017 heeft verzoeker verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 oktober 2017, waar partijen - het Drechtstedenbestuur met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 juli 2017 berust op de overwegingen dat het voor het instellen van het verzoek om herziening verschuldigde griffierecht niet is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft verzoeker onder meer aangevoerd dat sprake is van betalingsonmacht. Verzoeker wijst er op dat door verschillende rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad als hoogste rechterlijke instantie, op verschillende momenten op grond van dezelfde informatie en bewijsstukken, vrijstelling van betaling van griffierecht is verleend.
In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Verzoeker heeft pas in verzet, en dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, een beroep op betalingsonmacht gedaan
.
Ter voorlichting van verzoeker overweegt de Raad, ten overvloede, dat de stelling van verzoeker dat hij eerder door een gerecht op enig moment is vrijgesteld van betaling van griffierecht, niet weg neemt dat hij bij een heffing van griffierecht op een ander moment opnieuw om vrijstelling dient te vragen en desgevraagd de nodige recente informatie dient te verschaffen. Het gerecht waaraan om vrijstelling van het griffierecht wordt gevraagd zal op basis van de door de verzoeker over te leggen informatie - zie daarvoor onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:282 - hebben te beoordelen of vrijstelling van het griffierecht kan worden verleend.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

HD