ECLI:NL:CRVB:2017:4256

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
12 december 2017
Zaaknummer
16/3001 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 PWArt. 34 PWArt. 36 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens overschrijding inkomensnorm

Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt, heeft op 25 februari 2015 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet. Het Drechtstedenbestuur wees deze aanvraag af omdat het inkomen van appellant in de referteperiode hoger was dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Appellant stelde dat hij door de invoering van de Participatiewet benadeeld werd, omdat de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders gelijk is gesteld aan die voor alleenstaanden en daardoor zijn inkomen boven de inkomensnorm uitkomt, terwijl hij toch tot de minima behoort. De Raad overwoog dat artikel 36 PW Pro nagenoeg gelijk is aan het oude artikel 36 WWB Pro en dat de verordening Minimabudget Drechtsteden 2015 bepaalt dat een laag inkomen niet hoger mag zijn dan 110% van de bijstandsnorm.

De Raad stelde vast dat de WAO-uitkering van appellant in 2015 hoger was dan deze norm en dat de verordening geen overgangsregeling kent. Het feit dat appellant in 2014 nog een pmb ontving onder de WWB doet hieraan niet af. Daarom is de afwijzing van de aanvraag terecht en wordt het hoger beroep afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd omdat het inkomen hoger is dan 110% van de bijstandsnorm.

Uitspraak

16/3001 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 april 2016, 15/3291 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het Drechtstedenbestuur (bestuur)
Datum uitspraak: 12 december 2017
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft op 25 februari 2015 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet (PW), door partijen aangeduid als een aanvraag om een persoonlijk minimabudget (pmb).
1.2.
Bij besluit van 2 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 april 2015 (bestreden besluit), heeft het bestuur de aanvraag afgewezen. Het bestuur heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat het inkomen van appellant in de referteperiode meer bedraagt dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het bestuur heeft zijn aanvraag om een pmb in 2014 wel toegewezen, maar na de invoering van de PW ontvangt appellant geen pmb meer, hoewel appellant toch tot de minima behoort. Omdat de toepasselijke bijstandsnorm in 2015 is verlaagd, bedraagt het ongewijzigde inkomen van appellant in 2015 meer dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm en komt hij niet meer voor een pmb in aanmerking. Appellant voelt zich hierdoor benadeeld en gediscrimineerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de PW kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
4.2.
Artikel 36 van Pro de PW is naar inhoud en strekking nagenoeg gelijkluidend aan het tot
1 januari 2015 geldende artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) waarin de langdurigheidstoeslag was geregeld. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten staat dat de categoriale langdurigheidstoeslag is omgevormd tot een individuele inkomenstoeslag voor personen tot de AOW-gerechtigde leeftijd die langdurig van een laag inkomen rond moeten zien te komen en die, gelet op hun individuele omstandigheden, geen zicht hebben op verbetering van het inkomen. Dit neemt echter niet weg dat de gemeenteraad desondanks verplicht is gebleven om in een verordening in ieder geval de hoogte van de individuele toeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen neer te leggen (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 22 en 23).
4.3.
In artikel 3 van Pro de Verordening Minimabudget Drechtsteden 2015 (verordening) is bepaald dat sprake is van een langdurig laag inkomen als gedurende de referteperiode van drie maanden het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Met de verordening heeft het bestuur aan onder meer het begrip “laag inkomen” invulling gegeven. Volgens vaste rechtspraak, zoals die onder de WWB tot stand is gekomen en thans zijn gelding heeft behouden (uitspraak van 22 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2193), is voor het recht op langdurigheidstoeslag bepalend of in de referteperiode sprake was van een inkomen op of onder een vastgesteld minimum.
4.4.
Dat het bestuur appellant in 2014 in aanmerking heeft gebracht voor een pmb, zij het in het kader van de langdurigheidstoeslag in de zin van artikel 36 van Pro de WWB, doet niet af aan het feit dat het bestuur de aanvraag van appellant van 25 februari 2015 onder toepassing van de PW op goede gronden heeft afgewezen. De WAO-uitkering van appellant was in 2014 lager dan 110% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder. Met de invoering van de PW wordt bij het bepalen van de bijstandsnorm geen onderscheid meer gemaakt tussen een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Met ingang van
1 januari 2015 geldt voor een alleenstaande ouder dezelfde bijstandsnorm als voor een alleenstaande, toentertijd € 912,79 (70% van het wettelijk minimumloon). Onder de WWB was daarop nog een toeslag mogelijk van 20%. Die toeslag is vervallen in de PW. Het inkomen van appellant (diens WAO-uitkering) bedroeg in 2015 € 1.082,51 per maand en dat is meer dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een alleenstaande en alleenstaande ouder (€ 1.004,07). Appellant heeft dus geen recht op pmb. De verordening voorziet niet in een compensatie- of overgangsregeling.
4.5.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2017.
(getekend) M. Hillen
(getekend) A.M. Pasmans

HD