ECLI:NL:CRVB:2017:4435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek met rug- en knieklachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid, later omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Na heronderzoeken en bezwaarprocedures stelde het UWV vast dat appellante geschikt was voor haar eigen werk en andere functies, met een verlies aan verdiencapaciteit van circa 44%.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, maar dat de arbeidskundige onderbouwing aanvankelijk onvoldoende was. Na aanvullend onderzoek en rapportage werd het motiveringsgebrek hersteld en het bezwaar ongegrond verklaard, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische situatie werd onderschat en dat haar eigen werk medisch niet passend was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en de arbeidsdeskundige inzichtelijk had aangetoond dat appellante geschikt was voor haar werk. Het hoger beroep werd verworpen en de bestreden besluiten bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering.