Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in 2011 een WW-uitkering aangevraagd, die door het UWV werd toegekend maar niet uitbetaald vanwege verwijtbare werkloosheid. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures die het recht op uitkering bevestigden, verzocht appellant in 2016 opnieuw om betaling van een WW-uitkering. Het UWV verklaarde het bezwaar daarop niet-ontvankelijk omdat het niet gericht was tegen een besluit.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was. Appellant stelde in hoger beroep dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard, onder meer omdat hem telefonisch een nabetaling was toegezegd.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de eerdere besluiten over het recht op WW-uitkering in rechte onaantastbaar waren geworden en dat appellant geen nieuw besluit had overgelegd waartegen bezwaar was gericht. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.