Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant is in 1997 in Duitsland gehuwd en woont sindsdien in Nederland, terwijl zijn echtgenote in Duitsland woont en werkt. Hij vroeg een AOW-pensioen aan en kreeg dit toegekend volgens de gehuwdennorm. Appellant betwistte dit, stellende dat hij recht heeft op het alleenstaandenpensioen omdat zijn echtgenote geen AOW-rechten opbouwt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het gehuwdenpensioen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overwoog dat het huwelijk rechtsgeldig is erkend in Nederland en dat appellant niet duurzaam gescheiden leeft, waardoor hij volgens de AOW-wetgeving als gehuwd wordt aangemerkt.
Het beroep op discriminatie op grond van artikel 14 EVRM Pro faalde omdat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden objectief en redelijk gerechtvaardigd is. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid en houdt rekening met kostenvoordelen van samenwonen. De Raad stelde dat de situatie van appellant niet gelijk is aan die van ongehuwde pensioengerechtigden en dat de gehuwdennorm passend is.
Ook het argument dat andere instanties anders oordelen, deed niet af aan de wettelijke status en de toepassing van de AOW. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant recht heeft op AOW-pensioen volgens de gehuwdennorm en wijst het beroep af.