Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, gehuwd sinds 21 maart 2014, ontving eerst een ongehuwdenpensioen op grond van de AOW. Na zijn huwelijk werd dit omgezet in een lager gehuwdenpensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de twee-woningenregel toe te passen omdat deze alleen voor ongehuwden geldt. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de twee-woningenregel, neergelegd in het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW, uitsluitend van toepassing is op ongehuwden. Dit volgt uit de samenhang met de AOW-bepalingen die het begrip gezamenlijke huishouding alleen op ongehuwden betrekken. Het feit dat de tekst van het Besluit niet expliciet onderscheid maakt, doet hier niet aan af.
Verder oordeelt de Raad dat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden gerechtvaardigd is en niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro, het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 IVBPR Pro. De bijzondere band van het huwelijk met afdwingbare zorgverplichtingen rechtvaardigt een andere behandeling. Appellant kon zijn beroep op het arrest Fábián niet doen slagen. Ook maatschappelijke trends richting gelijke behandeling veranderen hieraan niets. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de twee-woningenregel niet geldt voor gehuwden en wijst het hoger beroep af.