ECLI:NL:CRVB:2017:447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opvang in Vrijheidsbeperkende Locatie is voorliggende voorziening die Wmo-opvang noodzaak wegneemt
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, werd opgevangen in de Vluchthaven, een VBL, waarvan de opvangperiode van zes maanden eindigde. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam beëindigde de opvang en wees een aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze besluiten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar tegen de beëindiging van de opvang niet-ontvankelijk, maar gaf betrokkene wel recht op maatschappelijke opvang conform de Wmo. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in. De Raad bevestigde dat de brief van het college geen besluit was en dat de opvang in de VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat het college verplichtte tot Wmo-opvang en verklaarde het beroep tegen het Wmo-besluit ongegrond. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door N.R. Docter en uitgesproken op 8 februari 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om maatschappelijke opvang te weigeren wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is.