ECLI:NL:CRVB:2017:4491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonaanvullingsuitkering en arbeidsongeschiktheid op grond van WIA
Appellant, voormalig metselaar, meldde zich ziek vanwege schouder- en knieklachten en kreeg op grond van de Wet WIA een loonaanvullingsuitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.
Na een herbeoordeling in 2015 werd het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 61%, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond vanwege wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage in de bezwaarfase, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met beperkingen door polyneuropathie. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Appellant kon de geselecteerde voorbeeldfuncties verrichten, waardoor geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid en geen recht op IVA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd; appellant komt niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.