ECLI:NL:CRVB:2017:4495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing herziening WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontvangt sinds 1998 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In april 2013 meldde zij een toename van haar arbeidsongeschiktheid vanwege spierpijnklachten en suikerziekte, waarna het UWV haar uitkering op 7 juli 2015 ongewijzigd vaststelde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen volledig en zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen.
Appellante voerde in hoger beroep dezelfde bezwaren aan, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen baseerden hun conclusies op dossierstudie, eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector. De Raad stelde vast dat de door appellante ervaren toename van klachten niet leidde tot een toename van medische beperkingen sinds de eerdere beoordeling in 2008.
De Raad benadrukte dat artikel 39a, eerste lid, van de WAO alleen ziet op situaties met een daadwerkelijke toename van medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de eerdere uitkeringsbeoordeling. Omdat een dergelijke toename ontbrak, was een arbeidskundige beoordeling niet relevant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en wijzigt de WAO-uitkering niet.