ECLI:NL:CRVB:2017:451

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2017
Publicatiedatum
8 februari 2017
Zaaknummer
15/6418 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning

Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, heeft bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden van opvang in de Vluchthaven te Amsterdam en tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor Wmo-opvang.

Het college wees de aanvraag af omdat appellant sinds juni 2014 in een asielzoekerscentrum verblijft en daar onverplicht opvang ontvangt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat het toelaten tot opvang zonder verplichting niet leidt tot recht op een uitkering of leefgeld volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers. Ook is op het bezwaar van appellant beslist in het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor opvang op grond van de Wmo wordt bevestigd.

Uitspraak

15/6418 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2015, 14/6368 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6353, 15/6901, 15/6418, 15/6595, 15/6609, 15/147, 15/6858, 15/7267, 15/4257, 15/6644, 15/6645, 15/6961 en 15/7023 heeft gevoegd plaatsgehad op 26 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Appellant heeft op 14 december 2013 bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder opvang in de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven) is geboden.
1.3.
Bij besluit van 16 april 2014 heeft het college de aanvraag van 7 november 2013 om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 20 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3096, begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat is beslist op zowel het bezwaar van 14 december 2013 als op het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2014, in die zin dat appellant vanaf 7 november 2013 geen recht had op opvang op grond van de Wmo. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in ieder geval sinds 19 juni 2014 in een asielzoekerscentrum verblijft en dat hem daarvoor onverplicht opvang door het college is verleend.
4.2.
De Raad kan niet inzien dat de enkele omstandigheid dat het college appellant – onverplicht – heeft toegelaten tot de opvang in de Vluchthaven meebrengt dat hij recht heeft op een uitkering of leefgeld naar de norm zoals vermeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Deze beroepsgrond faalt.
4.3.
Ook de beroepsgrond van appellant dat het college dwangsommen verschuldigd is omdat niet is beslist op zijn bezwaar van 14 december 2013, slaagt niet. Op dat bezwaarschrift is, gelet op 4.1, beslist bij het bestreden besluit.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.
(getekend) N.R. Docter
(getekend) J.W.L. van der Loo

RB