Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Appellante heeft op 2 januari 2014 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een gesloten buitenwagen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, bekend met sarcoidose en andere medische beperkingen, vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een gesloten buitenwagen aan. Het college wees dit af na advies van de medische commissie (MO-zaak), die stelde dat het aanvullend openbaar vervoer (AOV) gecombineerd met een scootmobiel een voldoende en goedkoopst compenserende voorziening is.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat het college het advies van de MO-zaak terecht had gevolgd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het AOV in combinatie met twee scootmobielen niet adequaat en niet goedkoper is dan een gesloten buitenwagen, mede vanwege haar zuurstoffles en de noodzaak om samen met haar echtgenoot te reizen.
Het college toonde aan dat de kosten van het AOV en twee scootmobielen lager zijn dan die van een gesloten buitenwagen en dat er busjes beschikbaar zijn die twee scootmobielen tegelijk kunnen vervoeren. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college en bevestigde dat de beperkingen van appellante voldoende worden gecompenseerd met het AOV en de scootmobiel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een gesloten buitenwagen bevestigd.