ECLI:NL:CRVB:2017:512

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2017
Publicatiedatum
15 februari 2017
Zaaknummer
15/6838 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:20 AwbArt. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van brief over beëindiging maatschappelijke opvang op grond van de Wmo

Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, werd tijdelijk opgevangen in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college stuurde op 26 juni 2014 een brief waarin het aangaf dat de opvangperiode van zes maanden was verstreken en beëindigd moest worden, met het voorstel om de aanvraag tot voortzetting als een aanvraag maatschappelijke opvang te behandelen.

Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze brief niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad overwoog dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat de einddatum van de opvang bij aanvang al was vastgesteld en de brief slechts een informatieve mededeling bevatte zonder zelfstandig rechtsgevolg.

De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin het verstrekken van een toegangspas werd aangemerkt als een besluit, maar benadrukte dat dit niet op de brief van toepassing was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

15/6838 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 september 2015, 14/6336 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/7330, 15/7464, 15/6741, 15/6802, 15/6803, 15/6838, 15/7332, 15/7472, 15/7474, 15/6853 en 15/7269 heeft gevoegd plaatsgehad op 2 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Bij brief van 26 juni 2014 heeft het college te kennen gegeven dat de periode van zes maanden waarin appellant werd opgevangen in de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven) inmiddels is verstreken en dat de opvang beëindigd dient te worden. Het college heeft voorgesteld om de aanvraag van appellant om continuering van de opvang aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.3.
Bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juni 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 26 juni 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4475, is geoordeeld dat het verstrekken van een toegangspas voor opvang in de Vluchthaven is aan te merken als een besluit tot het toelaten tot maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. In het geval van appellant was bij aanvang van de opvang in de Vluchthaven al bepaald dat deze zou eindigen op 31 mei 2014. Het is de Raad bekend dat het appellant, dan wel zijn gemachtigde, bekend was dat hij bezwaar kon maken tegen deze einddatum. Omdat bij aanvang van de opvang de einddatum daarvan al vast stond, bevat de brief van 26 juni 2014 slechts een mededeling van informatieve aard en is deze niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit tot beëindiging van de opvang van appellant. Verder bevat de brief het voorstel om het verzoek om continuering van de opvang in de Vluchthaven aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo en de aankondiging van een daarover te nemen besluit. Dit voorstel en deze aankondiging zijn evenmin op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Wel blijkt hieruit eens te meer dat het college nog geen besluit had genomen op het verzoek om continuering van de opvang. De brief van 26 juni 2014 is daarom ook niet aan te merken als een besluit waarbij het verzoek om continuering van de opvang wordt afgewezen.
4.2.
Daargelaten dat de Raad op 22 juli 2016 reeds uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep van appellant met zaaknummer 14/4678 (ECLI:CRVB:2016:2910), valt niet in te zien dat de brief van 26 juni 2014 op de grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb in die procedure had moeten worden betrokken, reeds omdat geen sprake is van een besluit.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.
(getekend) N.R. Docter
(getekend) M.S.E.S. Umans

RB