Uitspraak
18 september 2015, 14/6336 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, werd tijdelijk opgevangen in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college stuurde op 26 juni 2014 een brief waarin het aangaf dat de opvangperiode van zes maanden was verstreken en beëindigd moest worden, met het voorstel om de aanvraag tot voortzetting als een aanvraag maatschappelijke opvang te behandelen.
Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze brief niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad overwoog dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat de einddatum van de opvang bij aanvang al was vastgesteld en de brief slechts een informatieve mededeling bevatte zonder zelfstandig rechtsgevolg.
De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin het verstrekken van een toegangspas werd aangemerkt als een besluit, maar benadrukte dat dit niet op de brief van toepassing was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en wijst het hoger beroep af.