Uitspraak
29 september 2015, 14/5577 en 14/7697 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, werd opgevangen in de Vluchthaven tot 31 mei 2014. Het college beëindigde de opvang en stelde voor de aanvraag tot continuering als Wmo-aanvraag te behandelen, welke werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de brief van 4 juli 2014 geen besluit was en gaf betrokkene recht op Wmo-opvang.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen zelfstandig besluit is en oordeelt dat opvang in een VBL als een voldoende voorliggende voorziening geldt, waarmee de noodzaak van Wmo-opvang vervalt. Hierdoor vernietigt de Raad het deel van de uitspraak dat betrokkene recht gaf op Wmo-opvang.
De Raad verklaart het beroep tegen het collegebesluit van 19 november 2014 ongegrond en bevestigt het overige van de uitspraak. Proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door L.M. Tobé op 15 februari 2017.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep tegen het collegebesluit ongegrond en bevestigt dat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is, waardoor geen recht op Wmo-opvang bestaat.