Uitspraak
2 oktober 2015, 14/7367 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, ontving opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders wees een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat betrokkene recht had op opvang volgens de Wmo.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Het standpunt van betrokkene dat het college een toezegging had gedaan voor opvang aansluitend aan de Vluchthaven, werd verworpen wegens gebrek aan ondubbelzinnige toezeggingen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, waardoor betrokkene geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.