ECLI:NL:CRVB:2017:544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar bijstand wegens termijnoverschrijding
Appellante ontving sinds 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in 2010 in omdat appellante niet meer op het opgegeven adres zou wonen. Tevens werd de bijstand over een bepaalde periode teruggevorderd.
Appellante diende bezwaar in tegen het intrekkingsbesluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij het intrekkingsbesluit pas in 2015 tijdens een hoorzitting had ontvangen, waardoor haar bezwaar tijdig was ingediend.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit tijdig is ontvangen. Contra-indicaties die het college aanvoert, zoals het niet meer ontvangen van bijstand en het ontbreken van duidelijke verblijfplaats, zijn onvoldoende om ontvangst aan te nemen. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard door het college en de rechtbank heeft dit ten onrechte bevestigd.
De Centrale Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college en draagt het college op om opnieuw op het bezwaar te beslissen. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt de uitspraak en het besluit, oordeelt dat het bezwaar tijdig was en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.