ECLI:NL:CRVB:2017:565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens niet-tijdige aanvraag voortgezet verblijf
Appellante, een Nigeriaanse vrouw die sinds 2010 in Nederland verblijft, vroeg kinderbijslag aan voor haar kinderen. Haar verblijfsvergunning B9 liep af in oktober 2011. Zij diende een aanvraag tot voortgezet verblijf pas in december 2011 in, na afloop van haar verblijfsvergunning. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de kinderbijslag omdat appellante niet verzekerd was volgens artikel 6 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de aanvullende bepalingen van KB 746.
De rechtbank oordeelde dat de Svb terecht geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule van artikel 24 van Pro KB 746, omdat de te late indiening van de aanvraag niet verschoonbaar was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de IND haar onvoldoende had geïnformeerd, waardoor zij de aanvraag niet tijdig kon indienen. De Raad overwoog echter dat het de eigen verantwoordelijkheid van appellante was om tijdig een aanvraag te doen, ondanks mogelijke tekortkomingen van de IND.
De Raad concludeerde dat volledige toepassing van artikel 10, eerste lid, onder a, van KB 746 niet tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Appellante was in de relevante periode niet verzekerd en had daarom geen recht op kinderbijslag.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellante niet tijdig een aanvraag tot voortgezet verblijf heeft ingediend en daardoor niet verzekerd was.