ECLI:NL:CRVB:2017:606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding bij onrechtmatige afwijzing langdurigheidstoeslag en berekening wettelijke rente
Appellante had langdurigheidstoeslag over 2006 en 2007 aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam onrechtmatig was afgewezen. Nadat het college het besluit introk en alsnog toeslag toekende, verzocht appellante om schadevergoeding, waaronder vergoeding van wettelijke rente en immateriële schade.
De Raad oordeelde dat het college terecht de wettelijke rente vergoedde vanaf de datum van de aanvraag op 3 juli 2013, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt eerder een aanvraag te hebben ingediend of door het college te zijn belemmerd. Ook was onvoldoende bewijs voor immateriële schade, aangezien psychisch onbehagen niet volstaat voor vergoeding.
Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente tot €51,54 werd toegewezen, het verzoek tot immateriële schadevergoeding afgewezen, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, wettelijke rente van €51,54 wordt toegewezen, immateriële schadevergoeding afgewezen.