Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student, maar de minister herzag dit besluit op grond van een rapport waarin werd geconcludeerd dat appellant niet op het geregistreerde gba-adres woonde. Controleurs bezochten het adres en namen een verklaring van de hoofdbewoner op, die stelde dat appellant er sliep op een matrasje en wat kleding had, maar geen schoolboeken of administratie.
De minister herzag de studiefinanciering en legde een boete op, welke door de rechtbank werden bevestigd. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onvoldoende feitelijk was onderbouwd. De Raad oordeelde dat het rapport niet voldeed aan de eisen van een evenwichtig en zorgvuldig onderzoek, omdat het onvoldoende inzicht gaf in de wijze van onderzoek en de conclusies niet goed waren gemotiveerd.
De Raad stelde dat de controleurs niet hadden toegelicht waarom zij de verklaring van de hoofdbewoner niet geloofwaardig achtten en dat het ontbreken van schoolboeken en administratie op zich geen bewijs was dat appellant niet op het adres woonde. Het rapport gaf geen objectieve waarnemingen die de conclusie ondersteunden.
Daarom vernietigde de Raad het besluit tot herziening en de boeteoplegging en veroordeelde de minister in de proceskosten. Een nieuw onderzoek was niet mogelijk, zodat de uitspraak in de plaats trad van het bestreden besluit.