ECLI:NL:CRVB:2017:620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor functies na WAO-beoordeling
Appellante had een WAO-uitkering die per 17 februari 2012 werd ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het UWV stelde dat zij geschikt was voor functies als productiemedewerker papier, machinebediende inpak-/verpakkingsmachine en huishoudelijk medewerker gebouwen. Na een ziekmelding in 2014 ontving appellante een WW-uitkering, maar het UWV besloot op 2 december 2014 dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt was voor ten minste één van de eerder geselecteerde functies.
Appellante voerde aan dat zij vanwege lichamelijke en psychische klachten, waaronder fibromyalgie en depressieve klachten, niet inzetbaar was en volledig arbeidsongeschikt voor handmatige arbeid. Zij overhandigde medische informatie van een GZ-psycholoog, maar bracht geen nieuwe gronden die de eerdere beoordeling konden weerleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en de beperkingen van appellante niet waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde dat appellante op de datum in kwestie geschikt was voor ten minste één van de functies die haar bij de WAO-beoordeling waren voorgehouden. De latere ongeschiktheid voor de functie productiemedewerker karton in een andere procedure kon in deze zaak niet worden meegewogen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.