ECLI:NL:CRVB:2017:670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig timmerman/palletreparateur, ontvangt sinds 1997 een WAO-uitkering wegens claudicatieklachten en bronchitis. Na een herziening in 2007 werd de uitkering verlaagd. In 2013 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid, waaronder een vaatoperatie. Het UWV besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten, hetgeen door appellant werd bestreden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De kernvraag was of tussen 11 mei 2011 en 10 januari 2012 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de uitkering wordt genoten, binnen de vijfjaarstermijn van artikel 39a WAO.
De Raad oordeelt dat de vaatoperatie in 2013 buiten deze termijn valt en dat er geen objectieve medische aanwijzingen zijn voor eerdere toename van beperkingen. Ook de vermeende verergering van longklachten is onvoldoende onderbouwd en niet aantoonbaar binnen de termijn. Daarmee is geen grond voor herziening van de uitkering.
De uitspraak bevestigt het belang van strikte toepassing van artikel 39a WAO en de noodzaak van objectief bewijs voor toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de gestelde termijn. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de laatste herziening.