Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:681

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
28 februari 2017
Zaaknummer
15/5771 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen inkomsten en verstrengeling financiën met Stichting

Appellanten ontvingen sinds juni 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding over een minimaclub op Facebook startte de gemeente een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek omvatte dossier- en internetonderzoek, het horen van getuigen en appellanten, en analyse van de administratie van de door appellanten opgerichte Stichting Minimaclub Provincie Groningen.

Het college besloot de bijstand over oktober 2012 en de periode van juli 2013 tot april 2014 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen. Dit omdat appellanten inkomsten uit de verkoop van kauwgomblisters en activiteiten van de Stichting niet hadden gemeld, en er sprake was van een onduidelijke verstrengeling van persoonlijke en Stichting-financiën. Ook ontbrak een deugdelijke boekhouding en bewijsstukken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelden appellanten dat zij zo goed mogelijk een correcte boekhouding hadden gevoerd en geen financieel voordeel hadden genoten. De Raad oordeelde echter dat door het ontbreken van verifieerbare gegevens en de erkende hiaten in de administratie het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijke financiële situatie.

Uitspraak

15/5771 WWB
Datum uitspraak: 28 februari 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
17 juli 2015, 15/647 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam 1 en naam 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. M. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Namens appellanten is verschenen mr. L.S. Slinkman, kantoorgenoot van mr. Arnold. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 21 juni 2012 (aanvullende) bijstand, ten tijde hier van belang op grond van Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van de schriftelijke mededeling van appellanten van 8 april 2013 dat zij op Facebook een minimaclub, een verlotingssite voor mensen met een minimuminkomen, zijn begonnen en het verzoek om toestemming voor het verder opbouwen van deze minimaclub, heeft een medewerker van de Unit Werk en Inkomen van de gemeente Hoogezand-Sappemeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daartoe heeft de medewerker onder meer dossier- en internetonderzoek gedaan, gegevens bij appellanten en bij diverse instanties en bedrijven opgevraagd, getuigen gehoord en appellanten op 25 en 26 maart 2014 gehoord. De medewerker heeft voorts de administratie en bankafschriften van de door appellanten op 30 augustus 2013 opgerichte Stichting Minimaclub Provincie Groningen (Stichting) onderzocht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 mei 2014.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
15 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2015 (bestreden besluit)
- voor zover in beroep en in hoger beroep nog van belang - de bijstand in te trekken over de maand oktober 2012 en over de periode van 11 juli 2013 tot 1 april 2014 en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.085,21 van appellanten terug te vorderen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de verkoop en de daaruit ontvangen inkomsten van kauwgomblisters in oktober 2012, de uitbreiding van de activiteiten van de minimaclub vanaf 11 juli 2013 door het gebruik van opslagruimte voor levensmiddelen, de transporten van grote hoeveelheden producten en de inkomsten uit de Stichting, het gebruik maken van gelden daaruit en van overige inkomsten. Vanaf 11 juli 2013 kan in ieder geval niet meer gesproken worden van slechts een verlotingsite. Omdat sprake is van een onduidelijke verstrengeling van de financiën van de Stichting en de financiën van appellanten, appellanten geen deugdelijke boekhouding hebben bijgehouden van de Stichting en geen bewijsstukken van inkomsten/donaties hebben overgelegd, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De met betrekking tot de intrekking in geding zijnde periode betreft de maand oktober 2012 en de periode van 11 juli 2013 tot 1 april 2014.
4.2.
Niet in geschil is dat appellanten geen melding hebben gemaakt van inkomsten uit de verkoop van kauwgomblisters in oktober 2012. Vaststaat verder dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de uitbreiding van de activiteiten van de minimaclub, door onder meer de huur van opslagruimte voor levensmiddelen en de transporten van grote hoeveelheden producten vanaf 11 juli 2013 en evenmin van het gebruik maken van de gelden van de Stichting voor privédoeleinden. Met dit alles hebben appellanten gehandeld in strijd met de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting.
4.3.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.4.
Anders dan appellanten hebben aangevoerd, zijn zij hierin niet geslaagd. Het college heeft aan de hand van het resultaat van het onderzoek terecht vastgesteld dat van de inkomsten uit de in oktober 2012 verhandelde kauwgomblisters en uit de activiteiten vanaf
11 juli 2013 onvoldoende bewijsstukken voorhanden zijn, dat de boekhouding en de administratie van de Stichting vele onjuistheden en tegenstrijdigheden bevatten, dat sprake is van verstrengeling van de financiën van de Stichting met de persoonlijke financiën van appellanten en dat bonnen ontbreken. Van de zogenaamde “donatiepot” is in zijn geheel geen boekhouding bijgehouden. Doordat appellanten geen deugdelijke boekhouding en administratie hebben gevoerd, bestaat onduidelijkheid over hun financiële situatie. Het betoog van appellanten dat zij zo goed mogelijk hebben getracht een correcte boekhouding te voeren, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Daarbij komt dat appellanten hebben erkend dat in de door hen gevoerde boekhouding hiaten zijn ontstaan, bepaalde inkomsten en uitgaven niet meer te achterhalen zijn en dat zij gelden van de Stichting hebben aangewend voor privédoeleinden. De stelling van appellanten dat geen sprake was van een financieel voordeel voor appellanten is, reeds nu deze niet met verifieerbare of objectieve gegevens is onderbouwd, ontoereikend om het recht op bijstand in de periode in geding te kunnen vaststellen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in zijn conclusie dat, als gevolg van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, het recht van appellanten op bijstand over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.
4.5.
Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden ingediend, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) S.A. de Graaff

HD