Uitspraak
30 juli 2015, 15/714 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker technische dienst, meldde zich ziek met klachten aan nek, schouder en arm en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast dat appellant geschikt was voor rug- en schoudersparend werk met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, waardoor geen recht op uitkering bestond.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant adequaat waren meegenomen in de beoordeling. Ook de functies die appellant geacht werd te kunnen verrichten, waren passend bij zijn belastbaarheid.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten, waaronder polyneuropathie en artrose, onvoldoende waren meegewogen en dat preventief een urenbeperking moest worden aangenomen. De Raad concludeerde echter dat de medische grondslag van het besluit juist en toereikend was, mede gezien de aanvullende beperkingen in de FML en het ontbreken van concrete leefadviezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid onder 35%.