Uitspraak
14 december 2015, 14/6130 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft op 16 januari 2014 een voorziening voor hulp bij het huishouden aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de aanvraag na onderzoek, waaronder een huisbezoek en advies van een psycholoog en medisch adviseur, afgewezen omdat onvoldoende objectiveerbare beperkingen waren vastgesteld.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit na een zorgvuldige beoordeling van de medische rapporten, waaronder die van de neuroloog en medisch adviseur, en oordeelde dat appellante in staat is haar huishoudelijke taken over de week te verdelen en zelf uit te voeren.
In hoger beroep heeft appellante haar bezwaren herhaald, met name over haar beperkte belastbaarheid van de schouder en de impact op haar dagelijkse bezigheden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen te wijzigen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo.