ECLI:NL:CRVB:2017:893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij beperkingen volgens FML en deskundigenrapporten
Appellant, voormalig chauffeur en medewerker eindafwerking, meldde zich ziek in 2009 met pijnklachten door hypospadie. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 30 maart 2012 werden beperkingen vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het Uwv concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat psychische en sociale problemen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank benoemde een psychiater, die beperkte beperkingen vaststelde, vooral op het gebied van stress en samenwerking. De rechtbank oordeelde dat appellant belastbaar was conform de FML en dat passende functies waren gevonden, waardoor de arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onderschat waren, ondersteund door een rapport van een verzekeringsarts. De Raad volgde echter het oordeel van de onafhankelijke deskundige en het Uwv, die motiveerden dat de beperkingen adequaat waren meegenomen. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn en dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering.