ECLI:NL:CRVB:2017:96
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toestemming verhuizing Turkije met behoud Wajong-uitkering bevestigd
Appellant, houder van de Nederlandse en Turkse nationaliteit en sinds 2009 Wajong-uitkeringsgerechtigde, verzocht het UWV om toestemming om met behoud van zijn uitkering naar Turkije te verhuizen. Dit verzoek werd geweigerd omdat er geen noodzaak was voor zijn ouders tot remigratie en appellant niet uitsluitend afhankelijk was van hen voor verzorging.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, stellende dat het exportverbod van de Wajong-uitkering terecht werd gehandhaafd en dat er geen sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 3:19, negende lid, Wajong. Ook werd geen inbreuk geconstateerd op het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) of op het Besluit 3/80 EG-Turkije.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad overwoog dat appellant niet uitsluitend afhankelijk is van zijn ouders, die inmiddels naar Turkije zijn teruggekeerd, en dat het belang van de staat bij het beheersbaar houden van de overheidsfinanciën meeweegt. De Raad concludeerde dat het beleid van het UWV juist is toegepast en dat appellant vrij is zijn ouders te volgen zonder behoud van uitkering.
De Raad wees ook op jurisprudentie van het Hof van Justitie EU inzake het woonplaatsvereiste en het niet kunnen onttrekken aan dit vereiste op grond van dubbele nationaliteit. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet noodzakelijk geacht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant toestemming te geven met behoud van zijn Wajong-uitkering naar Turkije te verhuizen.