ECLI:NL:CRVB:2017:968

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2017
Publicatiedatum
10 maart 2017
Zaaknummer
15/7150 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 ANWArt. 51 lid 3 Vo 883/2004
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering ANW wegens niet voldoen aan artikel 14 ANW

Appellant, een Oostenrijkse ingezetene, verzocht om een nabestaandenuitkering na het overlijden van zijn Nederlandse echtgenote die sinds 1995 in Oostenrijk woonde en verzekerd was onder Oostenrijkse wetgeving. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 14 van Pro de Algemene nabestaandenwet (ANW).

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwees naar artikel 51, derde lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004, die een fictie van verzekering introduceert indien de betrokkene in een andere lidstaat verzekerd is tegen hetzelfde risico. De echtgenote van appellant werd aldus geacht verzekerd te zijn voor de ANW, waardoor appellant mogelijk recht heeft op een pro rata uitkering uit Nederland.

Echter, de Raad oordeelde dat appellant niet voldoet aan de overige voorwaarden van artikel 14 ANW Pro, die onder meer eisen dat de nabestaande een ongehuwd kind jonger dan 18 jaar heeft, arbeidsongeschikt is, of geboren is voor 1 januari 1950. Omdat appellant aan geen van deze voorwaarden voldoet, is de weigering van de nabestaandenuitkering terecht.

Het hoger beroep van appellant wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 14 ANW.

Uitspraak

15/7150 ANW
Datum uitspraak: 10 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 september 2015, 15/2270 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te Oostenrijk (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft de Oostenrijkse nationaliteit en woont in Oostenrijk. Appellant is op
[datum] 1995 gehuwd met [naam echtgenoot] . [naam echtgenoot] is in Nederland geboren, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 1995 bij haar echtgenoot in Oostenrijk. [naam echtgenoot] is op [overlijdensdatum] 2014 overleden. [naam echtgenoot] is van 9 juni 1968 tot en met 11 april 1995 verzekerd geweest ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Zij is vervolgens verzekerd geweest ingevolge de Oostenrijkse wetgeving.
1.2.
In verband met het overlijden van zijn echtgenote heeft appellant een nabestaandenuitkering aangevraagd in Oostenrijk en in Nederland. Aan appellant is met ingang van 12 oktober 2014 een Oostenrijks nabestaandenpensioen (Witwerpension) toegekend van € 232,98 per maand.
1.3.
Bij besluit van 27 november 2014 heeft de Svb de aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de criteria van artikel 14 van Pro de ANW.
2. Bij beslissing op bezwaar van 27 februari 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. De Svb heeft er daarbij op gewezen dat de echtgenote van appellant weliswaar niet verzekerd was ingevolge de ANW maar dat wel een recht op een
ANW-nabestaandenuitkering geopend kan worden op grond van EG-regelgeving omdat appellant een weduwnaarspensioen uit Oostenrijk ontvangt. Appellant voldoet echter niet aan de voorwaarden genoemd in artikel 14 van Pro de ANW.
3.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard onder verwijzing naar de ANW en naar artikel 51, derde lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Vo 883/2004).
3.2.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat zijn echtgenote in Nederland heeft gewerkt en verzekerd is geweest. De Oostenrijkse nabestaandenuitkering is alleen gebaseerd op de verzekerde tijdvakken in Oostenrijk. De Nederlandse tijdvakken zijn niet meegerekend. Daarom heeft appellant naar zijn mening recht op een nabestaandenpensioen uit Nederland.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Allereerst wordt vastgesteld dat de echtgenote van appellant ten tijde van haar overlijden, op [overlijdensdatum] 2014, niet in Nederland woonde of werkte en daarom volgens Nederlands nationaal recht toen niet verzekerd was ingevolge de ANW. In bepaalde omstandigheden is dat echter geen noodzakelijke voorwaarde voor een recht op uitkering.
4.2.
Op 1 mei 2010 is Vo 883/2004 in werking getreden. In artikel 51, derde lid, van
Vo 883/2004 is bepaald dat indien de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, deze voorwaarde geacht wordt te zijn vervuld indien de betrokkene op dat moment krachtens de wetgeving van de andere lidstaat tegen hetzelfde risico verzekerd is, of de andere lidstaat wegens de realisering van hetzelfde risico een uitkering aan de betrokkene verschuldigd is.
4.3.
De echtgenote van appellant is in het verleden in Nederland verzekerd geweest tegen de financiële gevolgen van haar overlijden voor nabestaanden. Voorts is gebleken dat Oostenrijk wegens de realisering van hetzelfde risico een uitkering aan haar nabestaande, appellant, verschuldigd is. Daarom kan zij op grond van de fictie van artikel 51, derde lid, van
Vo 883/2004 verzekerd worden geacht voor de ANW en kan appellant een recht op een pro rata uitkering uit Nederland hebben. Het niet verzekerd zijn van zijn echtgenote ingevolge de ANW kan appellant niet worden tegengeworpen, eventuele andere eisen van de ANW echter wel.
4.4.
Artikel 14, eerste lid en onder a, van de ANW bepaalde ten tijde in geding dat recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
‘a. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of
b. arbeidsongeschikt is (1) op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde, of (2) op en sedert de laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in onderdeel a, en wiens arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1 en 2 bedoelde dag ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal voortduren; of
c. geboren is voor 1 januari 1950.’
4.5.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet gebleken is dat appellant voldoet aan een van deze voorwaarden. De Svb heeft terecht een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW geweigerd omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 14 van Pro de ANW.
4.6.
Uit wat hiervoor is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) A.M.C. de Vries

UM