ECLI:NL:CRVB:2017:976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar pensioenoverzicht en toetsing AOW-leeftijdsverhoging aan EVRM
Appellant maakte bezwaar tegen een pensioenoverzicht waarin zijn toekomstige AOW-leeftijd was vermeld, mede vanwege een financieel nadeel door de verhoging van de AOW-leeftijd volgens artikel 7a van de AOW. De Sociale verzekeringsbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op de AOW-leeftijd, omdat deze vermelding informatief is en geen rechtsgevolg heeft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het pensioenoverzicht als geheel wel een besluit is en dat de wetswijziging een schending van zijn eigendomsrecht volgens het Eerste Protocol bij het EVRM inhoudt.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat alleen de rechtsvaststelling van verzekerde tijdvakken en aanvangsleeftijd een besluit vormt, terwijl de toekomstige AOW-leeftijd slechts informatief is. De Raad oordeelde dat de verhoging van de AOW-leeftijd geen schending van het Eerste Protocol oplevert, hoewel in uitzonderlijke gevallen een onevenredig zware last kan ontstaan die pas bij de toekenning van het pensioen beoordeeld kan worden.
Omdat de besluitvorming over de AOW-toekenning bij appellant inmiddels heeft plaatsgevonden, kan hij zijn bezwaar daartegen richten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd in het pensioenoverzicht geen besluit is en dat de verhoging van de AOW-leeftijd niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.