Uitspraak
OVERWEGINGEN
AOW-ouderdomspensioen (Stb. 2012, 2) per 1 april 2012 de ingangsdatum van het
AOW-pensioen gewijzigd. Vanaf die datum gaat het ouderdomspensioen niet meer in op de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt, maar op de dag waarop de betrokkene aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet, derhalve in het algemeen als de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. Op grond van artikel 7a van de AOW is als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd naar in 2013 65 jaar en één maand. Als gevolg van deze wetswijzigingen is het AOW-pensioen van appellant niet ingegaan op 1 augustus 2013, zoals voor die wetswijzigingen het geval zou zijn geweest, maar op 28 september 2013.
1 augustus 2013, zijnde de datum waarop appellant destijds de gerechtvaardigde verwachting had dat hij zijn aanspraak op een AOW-pensioen kon realiseren. Door de wetswijzigingen is zijn eigendom ontnomen en heeft hij een inkomensderving van bijna twee maanden, het zogenoemde AOW-gat, dat niet gecompenseerd wordt. Het Bouwpensioenfonds heeft het AOW-gat niet gerepareerd, appellant kan niet meer werken en de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW biedt hem geen soelaas omdat appellant voor een beroep op die regeling beschikt over te veel spaargeld. De eigendomsontneming is niet gerechtvaardigd omdat de proportionaliteit ontbreekt en in het geval van appellant sprake is van een “individual and excessive burden”, nu hij tot de kleine groep AOW-instromers in 2013 behoort die in het geheel geen compensatie heeft ontvangen en het inkomensnadeel uit spaargeld heeft moeten financieren. Voorts is sprake van verboden discriminatie omdat een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn geboren voor 1950 en volgens het oude regime na ontslag verplicht waren met vroegpensioen te gaan dat doorloopt tot de eerste dag van de maand waarin de 65ste verjaardag wordt bereikt en tussen personen geboren na 1950 die geen gebruik hoefden te maken van de vroegpensioenregeling en de keuze hadden voor een werkloosheidsuitkering die wel doorloopt tot de nieuwe
AOW-leeftijd. Voorts is sprake van verboden onderscheid tussen de groep personen die voor 1 april 2012 65 jaar is geworden en die geen last hebben van de wetswijzigingen en de groep die daarna de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
– impliciet – heeft geoordeeld dat met de verhoging van de AOW-leeftijd een inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van appellant. Volgens de Svb voldeed appellant ten tijde van de wetswijzigingen niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een
AOW-pensioen, zodat hij geen (bestaand) recht had op een pensioen vanaf zijn 65ste verjaardag en daarom dit recht hem dan ook niet kan zijn ontnomen. De enkele verwachting van appellant dat hij in de toekomst recht zou kunnen krijgen op AOW is onvoldoende om te spreken van een eigendomsrecht. Dat geruime tijd in de AOW de pensioengerechtigde leeftijd was vastgelegd op 65 jaar, maakt op zich nog niet dat sprake is van een gerechtvaardigde verwachting dat dit ook altijd zo zou blijven.
1 januari 2013. In geschil is alleen of deze bepalingen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing moeten worden gelaten wegens strijd met de door appellant ingeroepen bepalingen van verdragsrecht, waaronder het recht op bescherming van het ongestoord genot van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol en het verbod van discriminatie.
nr. 77782/01, Luczak, onder A.3. voorlaatste alinea en het arrest van het EHRM van 7 juli 2011, nr. 37452/02, Stummer, par. 84, waar het gaat om de toegang tot de verzekering in relatie tot het uitkeringsrecht).
27 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2276 waarin is geoordeeld dat met de wijziging van de wettelijke ingangsdatum van het AOW-pensioen per 1 april 2012 artikel 1 van Pro het Eerste Protocol niet was geschonden.
8 oktober 2013, nr. 57725/12, Mateus en van 1 september 2015, nr. 13341/14, Da Silva Carvalho Rico) is beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie, waarbij de staat een ruime beoordelingsmarge heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is. De Raad concludeert dan ook dat aan de wetswijzigingen een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt. Door partijen is dit ook uitdrukkelijk niet bestreden.
blz. 7). Daarom is een aantal overgangsmaatregelen genomen om de overbrugging voor deze mensen te versoepelen. Deze overgangsmaatregelen bestonden onder meer uit de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd, een voorschotregeling voor de eerste jaren en de met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 ingevoerde Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Volgens de Toelichting bij de OBR is deze regeling bedoeld om mensen compensatie te bieden die op of voor 1 januari 2013 al deelnamen aan een vut-, prepensioen of daarmee vergelijkbare regeling die eindigt bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd, voor wie het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen is en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de
AOW-leeftijd. De looptijd van deze regeling, aanvankelijk tot 2019, is verlengd tot 2023. De regeling kent een inkomens- en vermogenstoets, waarbij het eigen huis en het pensioenvermogen buitenbeschouwing blijven. Van personen die een inkomen of vermogen hebben boven de gestelde grenzen, wordt verondersteld dat zij voldoende financiële reserves hebben om het tijdelijke inkomensverlies op te vangen.
AOW-leeftijdsverhoging kan instellen. Voor personen met een sociale uitkering is de uitkeringsduur van die uitkering verlengd tot de pensioengerechtigde leeftijd in die gevallen waarin de betrokkene recht heeft op die langere uitkeringsduur. In andere gevallen zullen deze personen terugvallen op de Participatiewet met een middelentoets. Velen zullen het inkomensgat moeten overbruggen door langer door te werken. Voor zover bedoeld wordt dat appellant tot een kleine groep behoort die te maken heeft met een inkomensterugval en daarvoor niet van overheidswege wordt gecompenseerd, kan deze stelling niet leiden tot een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht. De overheid heeft voor de schrijnende gevallen compenserende maatregelen met een beperkte middelentoets getroffen. Dat appellant – gezien zijn vermogen en anders dan mensen die niet gespaard hebben – zijn spaargeld dient aan te spreken ter overbrugging van het inkomensgat leidt gezien alle omstandigheden van het geval niet tot een onevenredig zware last voor appellant als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM (vergelijk EHRM 6 januari 2005, no. 58641/00, Hoogendijk).
AOW-leeftijd, beginnend bij het geboortecohort 1 januari 1948, is kennelijk beoogd de juiste verhouding tussen de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zo goed mogelijk te benaderen, waarbij noodzakelijkerwijs aan beide beginselen concessies worden gedaan. Met inachtneming van de ruime mate van beleidsvrijheid die de wetgever in beginsel toekomt bij het nemen van maatregelen op sociaal en economisch gebied, kunnen in het licht van de legitieme doelstelling, die door appellant niet wordt bestreden, de met de wetswijziging gekozen leeftijdsgrenzen niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. De wetgever heeft met de invoering van het geboortecohort 1 januari 1948 de grenzen van de hem krachtens artikel 14 van Pro het EVRM toekomende beoordelingsmarge niet overschreden. Het beroep op (leeftijds) discriminatie kan dan ook niet slagen.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-.
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2016.