Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een pensioenoverzicht waarin de pensioenopbouw volgens de Algemene Ouderdomswet (AOW) was vastgesteld tot 8 april 2014 en de AOW-leeftijd was vastgesteld op een latere datum in 2019. Hij maakte bezwaar tegen de verschuiving van de aanvangsleeftijd en de verhoging van de AOW-leeftijd, stellende dat dit een schending van zijn eigendomsrecht en een verboden leeftijdsdiscriminatie opleverde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat het pensioenoverzicht geen besluit met rechtsgevolg was voor het deel van de AOW-leeftijd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het pensioenoverzicht wel een besluit met rechtsgevolg is en dat de wetswijziging een onevenredige last voor hem betekent. De Svb stelde dat er geen inbreuk op eigendomsrecht was omdat de verzekering niet verviel en dat de rechtbank ten onrechte toetste aan artikel 1 Eerste Pro Protocol.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat het pensioenoverzicht slechts een besluit is voor zover het de vaststelling van verzekerde tijdvakken betreft; de vermelding van toekomstige AOW-leeftijd is informatief. De Raad oordeelde dat de inmenging in het eigendomsrecht door artikel 7a AOW in het algemeen proportioneel is en niet leidt tot schending van het Eerste Protocol, maar dat in individuele gevallen een onevenredige last kan ontstaan die bij de daadwerkelijke toekenning van het pensioen moet worden beoordeeld.
Voor appellant kon op dit moment geen onevenredige last worden vastgesteld, mede omdat hij nog jaren heeft om zich aan te passen. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep van de Svb werden verworpen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde de Svb tot betaling van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep van appellant af.