Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 2.004,-;
griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is sinds 1979 werkzaam bij een werkgever en was feitelijk ingeschaald in salarisschaal 9, terwijl zijn functie volgens een nieuwe waarderingssystematiek per 1 juni 2012 in schaal 10 hoort te zijn ingeschaald. Het dagelijks bestuur besloot op 16 april 2015 de salarisschaal niet te verhogen wegens onvoldoende functievervulling, gebaseerd op beoordelingen en een assessment.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het dagelijks bestuur het interne stappenplan correct had toegepast en dat appellant op de peildatum niet voldeed aan de vereiste competenties. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het stappenplan niet volledig en correct is gevolgd, dat de feitelijke grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur ontbreekt en dat onvoldoende inzicht is gegeven in de functiewaardering en het functioneren van appellant op de peildatum.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en het besluit van 16 april 2015, en bepaalt zelf dat appellant met ingang van 1 juni 2012 in salarisschaal 10 wordt ingeschaald. Tevens veroordeelt de Raad het dagelijks bestuur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot niet-verhoging van de salarisschaal wordt herroepen en appellant wordt met ingang van 1 juni 2012 ingeschaald in schaal 10.