ECLI:NL:CRVB:2018:1038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte als operator en meldde zich ziek op 10 oktober 2012. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege procedurele tekortkomingen, maar handhaafde de inhoudelijke beoordeling dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat appellant terecht geen WIA-uitkering kreeg.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische klachten, waaronder een nekhernia en medicijngebruik, en dat hij de voorgestelde werkzaamheden niet kon verrichten. De Raad oordeelde dat de medische onderzoeken en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 september 2015 zorgvuldig en volledig waren opgesteld, waarbij alle relevante beperkingen waren meegenomen. De arbeidsdeskundige had de voorbeeldfuncties aangepast, maar er bleven voldoende functies over die appellant kon verrichten.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.