Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf aan alleenstaand te zijn, terwijl zij feitelijk samenwoonde met een ander persoon ([A.]). De gemeente Amsterdam stelde na onderzoek vast dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wees de aanvraag af. Tevens werd een eerder verstrekt voorschot van €1.500,- teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij tijdelijk werd opgevangen en dat haar psychische situatie dringende redenen vormde om af te zien van terugvordering. De Raad oordeelde dat de objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding waren vervuld, waaronder wederzijdse zorg, en dat motieven en aard van de relatie niet relevant zijn.
Daarnaast stelde de Raad dat de psychische problemen van appellante niet leidden tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die een uitzondering op de terugvordering rechtvaardigen. De terugvordering werd daarom bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.