ECLI:NL:CRVB:2018:1071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17/4993 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring verzoek om herziening sociale zekerheidsuitspraak

De zaak betreft een verzetprocedure tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2017, waarin het verzoek om herziening van een eerdere uitspraak niet-ontvankelijk werd verklaard. Het verzoek om herziening was niet binnen de gestelde termijn van vier weken ingediend, en de Raad oordeelde dat verzoeker in verzuim was.

Verzoeker stelde in het verzetschrift dat onduidelijkheid bestond over welke bewijsstukken ingediend moesten worden en de inhoud van het verzoekschrift. Tijdens de zitting gaf verzoeker aan geen nieuwe argumenten te hebben om het verzoek om herziening te onderbouwen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzet ongegrond is, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere oordeel konden wijzigen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door H.C.P. Venema op 12 april 2018.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 april 2018
17/4993 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2017, 17/1690 en 17/1691
Partijen:
[verzoeker 1] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met
artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van 10 oktober 2017 heeft de Raad
het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van
28 maart 2017, 17/1690 en 17/1691, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2017 heeft verzoeker verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 1 maart 2018. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 10 oktober 2017 berust op de overwegingen dat de gronden
van het verzoek om herziening niet binnen de bij – aangetekend verzonden – brief van
14 augustus 2017 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft verzoeker aangevoerd dat het voor hem onduidelijk was welke bewijsstukken hij had moeten indienen en wat de inhoud van zijn verzoekschrift precies moest zijn. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij geen (nieuwe) argumenten heeft
om zijn verzoek om herziening te onderbouwen. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

LO