Uitspraak
27 maart 2017, 16/3023 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was op basis van tijdelijke aanstellingen als oproepkracht werkzaam bij de Universiteit Twente. Zijn tijdelijke aanstelling liep van 1 september 2015 tot 1 juli 2016 en werd niet voortgezet. Appellant maakte bezwaar tegen de mondelinge mededeling van niet-verlenging en tegen een brief over de afhandeling van het dienstverband. Het college verklaarde beide bezwaren niet-ontvankelijk, waarop appellant beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het bezwaar van 25 mei 2016 niet-ontvankelijk was, omdat het bezwaar werd opgevat als een verzoek om terug te komen op de weigering tot voortzetting. De rechtbank stelde dat de tijdelijke aanstelling niet was geconverteerd in een vaste aanstelling en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar van 25 mei 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het college nog geen besluit had genomen over voortzetting na 1 juli 2016 en de mondelinge mededeling als een besluit in de zin van de Awb moet worden gezien. De brief van 15 juli 2016 was slechts informatief en geen besluit. De Raad stelt dat de tijdelijke aanstelling als oproepkracht niet is geconverteerd in een vaste aanstelling en dat er geen ondubbelzinnige toezegging tot verlenging is gedaan. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de tijdelijke aanstelling wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.