ECLI:NL:CRVB:2018:1102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen UWV-besluit over WIA-uitkering en passende functies
Appellant, die zich in 2012 ziek meldde vanwege klachten aan het bewegingsapparaat, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met rapporten van verzekeringsarts Offermans. Het UWV handhaafde haar standpunt op basis van eigen medische en arbeidsdeskundige rapporten. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een aanvullend rapport uitbracht, leidend tot een aangepast functioneel medisch oordeel (FML).
De Raad oordeelde dat het gewijzigde besluit van het UWV, dat appellant recht geeft op een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 39,85%, medisch passend is en de geselecteerde functies geschikt zijn. Het beroep tegen dit nieuwe besluit werd ongegrond verklaard. Wel vernietigde de Raad het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.