ECLI:NL:CRVB:2018:1106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en afwijzing WIA- en Ziektewet-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, werkzaam als thuishulpmedewerkster, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met diverse klachten. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor andere functies dan haar eigen werk. Zowel in bezwaar als beroep werden deze besluiten bevestigd op basis van medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de beperkingen van appellante niet onderschat waren. Ook de maatmanomvang werd juist vastgesteld en appellante kon niet als medische afzakker worden aangemerkt. In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en stelde zij dat de beperkingen groter waren dan vastgesteld, maar de Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsarts te betwijfelen.
Ook in de Ziektewet-zaak werd bevestigd dat appellante per 6 augustus 2015 geschikt was voor de geduide functies en daarom geen recht had op ziekengeld. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA- en Ziektewet-uitkering terecht zijn geweigerd.