ECLI:NL:CRVB:2018:1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.M. Heijs
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bezwaar tegen vaststelling oorspronkelijke LFNP-functie ambtenaar politie
Appellant, werkzaam bij de voormalige politieregio, betwistte de vaststelling van zijn oorspronkelijke functie binnen het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). De korpschef had bij besluit van 1 december 2015 de oorspronkelijke functie vastgesteld en het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit bevoegdelijk in mandaat was genomen door de directeur Human Resources Management, conform het Mandaatbesluit Politie. Juridisch werd vastgesteld dat appellant na 1 januari 2012 geen formele functiewijziging had ondergaan die de hoofdregel van de Regeling landelijk sociaal statuut (LSS) zou wijzigen.
Hoewel appellant een bijzondere hardheid aanvoerde en de korpschef werd geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, verwierp de Raad dit omdat er geen onbillijkheid van overwegende aard was. De eerdere besluiten waren in rechte onherroepelijk en hadden geen negatieve financiële gevolgen voor appellant. De Raad bevestigde dat de korpschef terecht artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) toepaste in plaats van de hardheidsclausule uit de Regeling overgang naar een LFNP-functie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.