ECLI:NL:CRVB:2018:115
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijzondere bijstand tijdens langdurige detentie
Verzoekster ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar deze werd ingetrokken vanwege haar detentie van 4 augustus 2017 tot vermoedelijk 29 mei 2018. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor de huurkosten van haar woning gedurende haar detentie, maar het college wees dit af omdat het gemeentelijke beleid bijstand beperkt tot zes maanden huurbetaling tijdens detentie.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen deze afwijzing ongegrond. Verzoekster ging in hoger beroep en vroeg tevens een voorlopige voorziening om de huurbetalingen door te laten lopen. Zij stelde dat zij na zes maanden zelf de huur kon overbruggen en dat het beleid geen absolute uitsluiting voor langere detentieperiodes inhoudt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een actueel spoedeisend belang ontbrak. Hoewel een derde aanvankelijk de huur betaalde, was er inmiddels sprake van huurachterstand, maar dit was niet met stukken onderbouwd. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat een huisuitzetting dreigde of dat verzoekster ernstige psychische klachten had door het mogelijke verlies van haar woning.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.