ECLI:NL:CRVB:2018:1220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-procedure
Appellante heeft een WIA-procedure gevoerd tegen het UWV waarbij de behandeling van bezwaar en beroep meer dan acht jaar heeft geduurd. Na intrekking van het hoger beroep verzocht zij om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, proceskosten en andere schadeposten.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn met circa 58 maanden was overschreden, waarvan 23 maanden aan het UWV en 35 maanden aan de bestuursrechter toe te rekenen zijn. Op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad werd de schadevergoeding verdeeld: €1.983,- voor het UWV en €3.017,- voor de Staat. Daarnaast werd een aanvullende vergoeding van €500,- aan de Staat toegekend wegens de duur van de schadeprocedure.
De Raad wees het verzoek om vergoeding van belastingschade af wegens onvoldoende onderbouwing. Ook werden de proceskosten van appellante tot een bedrag van €2.785,10 aan het UWV opgelegd. Vergoeding van griffierechten werd aan appellante zelf gelaten. De uitspraak werd gedaan door M. Greebe op 25 april 2018.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en het UWV tot betaling van proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.