ECLI:NL:CRVB:2018:1281

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2018
Publicatiedatum
1 mei 2018
Zaaknummer
16/4567 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in sociale zekerheidszaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam inzake de intrekking van bijstand en een boete. Tijdens de zitting op 16 januari 2018 heeft het college aangegeven af te zien van handhaving van de bestreden besluiten en het opleggen van een boete.

Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van het college in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend en het onderzoek is op grond van artikel 8:57 Awb Pro achterwege gelaten.

De Raad heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 8:75a Awb is voldaan en heeft het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep. De totale proceskostenvergoeding bedraagt €3.006,-. Appellante kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het college claimen.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van €3.006,- aan proceskosten aan appellante na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 mei 2018
16/4567 PW, 17/411 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van
6 juni 2016, 15/7987 en 28 november 2016, 16/4627 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
De hoger beroepen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2018. De gemachtigde van het college heeft meegedeeld dat het besluit met betrekking tot de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 2 februari 2015 tot 18 april 2015 niet wordt gehandhaafd. Ook het bestreden besluit van 3 juni 2016 zal niet worden gehandhaafd en het college ziet af van het opleggen van een boete.
Bij brief van 15 februari 2018 heeft mr. Vreeswijk namens appellante de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante zijn de hoger beroepen ingetrokken als gevolg van de mededelingen van de gemachtigde van het college tijdens de zitting bij de Raad op 16 januari 2018. Aldus is aan de voorwaarden van artikel 8:75a Awb voldaan.

Zaak 16/4567 PW

De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 501,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Zaak 17/411 PW

Aangezien het college reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 501,- in beroep en € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beide zaken kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.006,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2018.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) N.L. Kuipers
JL