ECLI:NL:CRVB:2018:1284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandaanvraag wegens ontbrekende levensvatbaarheid horecabedrijf
Appellanten, een moeder en zoon, vroegen bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor hun te starten horecabedrijf. Na een positief advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) werd een rentedragende lening toegekend en het bedrijf gestart. Later vroeg men opnieuw bijstand aan, waarop het IMK een rapport uitbracht waarin werd geconcludeerd dat het bedrijf niet levensvatbaar was vanwege hoge vaste lasten en lage omzet.
Het college wees de bijstandaanvragen af op basis van dit advies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten de afwijzing en verzochten zij om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat het college zich terecht op het IMK-advies mocht baseren, omdat er geen concrete aanwijzingen waren om aan de zorgvuldigheid of inhoud van het advies te twijfelen.
De Raad verwierp de argumenten van appellanten over inconsistentie tussen adviezen en mogelijke huurverlagingen. De conclusie bleef dat het bedrijf niet levensvatbaar was en bevestigde de eerdere uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De bijstandaanvraag is terecht afgewezen wegens het ontbreken van levensvatbaarheid van het bedrijf.