Uitspraak
16.8111 WUV, 16/8112 WUBO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De Pensioen- en Uitkeringsraad heeft deze aanvragen afgewezen omdat niet is gebleken dat appellante vrijheidsberoving heeft ondergaan zoals bedoeld in de Wuv, noch dat zij is geïnterneerd tijdens de Japanse bezetting of de daaropvolgende Bersiapperiode zoals bedoeld in de Wubo.
De Raad heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de wettelijke definities van vervolging en burger-oorlogsslachtoffer. Uit de verstrekte gegevens en sociale rapporten blijkt dat appellante en haar familie niet onder permanente bewaking stonden en zich relatief vrij konden bewegen, wat niet overeenkomt met de vereisten van vrijheidsberoving of internering. Ook is niet aannemelijk dat zij deel uitmaakten van de groepen vrouwen en kinderen die in kampen verbleven tijdens de genoemde periodes.
De Raad concludeert dat de bestreden besluiten rechtmatig zijn en verklaart de beroepen ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvragen op grond van de Wuv en Wubo blijft in stand.