ECLI:NL:CRVB:2018:1320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, een voormalig stukadoor, meldde zich ziek vanwege rug- en handklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond, waarbij medische en arbeidskundige rapporten als grondslag dienden.
De rechtbank Overijssel oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts zowel medisch onderzoek als dossierstudie verrichtte en rekening hield met medicatiegebruik en beperkingen. De rechtbank vond de vastgestelde belastbaarheid passend en zag geen reden om de functies die appellant zou kunnen vervullen medisch ongeschikt te achten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er onterecht geen medische urenbeperking was vastgesteld en dat hij niet in staat zou zijn tot repeterende bewegingen. De Raad concludeerde echter dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd met medische gegevens. De arbeidsdeskundige had bovendien gemotiveerd dat de geselecteerde functies geen overschrijding van de belastbaarheid betekenden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af, waarmee het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.