ECLI:NL:CRVB:2018:1416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht over bankrekening van zoon
Appellante ontving sinds mei 2013 met onderbrekingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Westland voerde een heronderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand en verzocht appellante meerdere keren om gegevens te overleggen. Na het niet tijdig aanleveren van alle gevraagde gegevens werd de bijstand op 13 juni 2015 opgeschort en vervolgens ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking gegrond en vernietigde het besluit, omdat het college zich ten onrechte baseerde op het niet tijdig overleggen van gegevens die nog niet eerder waren opgevraagd. Wel stelde de rechtbank vast dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van een bankrekening van haar zoon en twee spaarrekeningen.
Het college nam een nieuw besluit op bezwaar waarin het bezwaar opnieuw werd afgewezen. Dit besluit was gebaseerd op de vaststelling dat appellante al langer dan een jaar de beschikking had over de bankpas van haar zoon en daarmee over middelen beschikte, hetgeen zij pas op 21 december 2015 verklaarde. Hierdoor verkeerde zij niet in bijstandsbehoevende omstandigheden op het moment van intrekking.
Omdat het nieuwe besluit steunt op een andere feitelijke grondslag dan het eerdere besluit en de rechtbank hierover al had geoordeeld, had appellante geen belang meer bij het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond.