ECLI:NL:CRVB:2018:1422
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag tweede generatie oorlogsslachtoffer Wuv bevestigd
Appellante, geboren in 1964, diende in 1992 een aanvraag in om als tweede generatie oorlogsslachtoffer te worden erkend onder de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv). Deze aanvraag werd destijds afgewezen en na bezwaar gehandhaafd, omdat haar psychische klachten niet in overwegende mate werden toegeschreven aan de vervolgingsgevolgen van haar moeder. In 2015 diende zij een hernieuwd verzoek in, dat eveneens werd afgewezen.
In beroep stelde appellante dat het dossier van haar moeder ten onrechte niet was betrokken bij de medische beoordeling en dat het psychiatrisch onderzoek van 1994 aantoont dat haar klachten wel degelijk verband houden met de vervolgingsgevolgen. De Raad oordeelde dat het dossier van haar moeder wel degelijk was betrokken bij de eerdere beoordeling en dat geen aperte, verwijtbare fouten waren gemaakt door verweerder.
Daarnaast werd een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De Raad stelde vast dat de procedure meer dan twee jaar en zes maanden duurde, waarbij een deel van de vertraging aan appellante kon worden toegerekend. Uiteindelijk werd een vergoeding van €500 toegekend.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde het bestreden besluit, en veroordeelde verweerder tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.