ECLI:NL:CRVB:2018:1435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet overleggen bankafschriften en verwijtbaar gedrag
Appellant ontving bijstand sinds mei 2014 en werd onderzocht naar aanleiding van een melding dat een persoon bij hem inwoonde en daarvoor betaalde. De gemeente verzocht appellant bankafschriften te overleggen, maar hij verscheen niet op de eerste uitnodiging en leverde de gevraagde stukken niet aan. Tijdens het gesprek op 16 oktober 2015 vertoonde appellant agressief gedrag, waardoor het gesprek voortijdig werd beëindigd zonder dat hij de bankafschriften overhandigde.
Het college trok de bijstand met ingang van 16 oktober 2015 in wegens het niet naleven van de inlichtingenplicht en verwijtbaar gedrag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college onredelijk had gehandeld omdat het gesprek te laat begon en hij tijdnood had vanwege zijn zorgplicht voor zijn zoon.
De Raad oordeelde dat appellant de bankafschriften niet had overgelegd en dat hem dit verwijtbaar was. Het feit dat het gesprek voortijdig werd beëindigd en de handhavingspecialist niet om de stukken vroeg, belette appellant niet om de stukken later alsnog in te leveren. Ook de zorgplicht voor zijn zoon bood geen grond om het college te verwijten niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik te maken. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet overleggen van bankafschriften en verwijtbaar gedrag wordt bevestigd.