ECLI:NL:CRVB:2018:148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen waarschuwing en advies interne hoorcommissie ambtenaar
Appellante, werkzaam bij een overheidsdienst, ontving een waarschuwing van de minister naar aanleiding van een gegrond verklaarde bejegeningsklacht. Zij maakte bezwaar tegen deze waarschuwing en het advies van de interne hoorcommissie. De minister verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat de waarschuwing een normaal sturingsmiddel is zonder rechtsgevolg en het advies niet op rechtsgevolg is gericht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de brief met waarschuwing geen uitdrukkelijke vaststelling van plichtsverzuim bevat en daarmee geen wijziging in de rechtspositie van appellante teweegbrengt. Ook het advies van de interne hoorcommissie is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omdat het niet gericht is op rechtsgevolg.
Appellante voerde aan dat de waarschuwing gevolgen had zoals het weigeren van positieve referenties en annulering van een benoeming, maar de Raad stelde vast dat deze gevolgen niet beoogd waren in de brief. Ook een latere brief aan de Nationale Ombudsman waarin sprake is van een berisping wegens plichtsverzuim, werd niet gezien als een vaststelling van plichtsverzuim jegens appellante zelf.
De Raad concludeerde dat de minister terecht de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bezwaren tegen de waarschuwing en het advies terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.